Hondenbelasting: hoezo principe?

De reacties van gemeenten en een bericht van het Ministerie van BZK op de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 24 januari 2013 over de hondenbelasting waren voor mij aanleiding om de wenkbrauwen te fronsen.

“Wij vinden de uitspraak principieel onjuist en gaan daarom, na consultatie van deskundigen, in cassatie”, aldus wethouder Pieter Meekels (financiĆ«n) in een persbericht.

Een nieuwsbericht van het Ministerie van BZK: “Volgens de gemeentewet kunnen gemeenten hondenbelasting heffen als een algemene belasting. De gemeente hoeft de opbrengst dus niet te gebruiken voor het opruimen van hondenpoep of het aanleggen van hondenuitlaatgebieden.”

Onderstaand mijn commentaar.

Gelijkheidsbeginsel
Kleine kinderen weten al wat het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Geef ze maar eens ongelijke hoeveelheden limonade. Als je zonder geldige reden verschil maakt, ontstaat er boosheid. Zo simpel is het.

Het is volgens mij gewoon een kwestie van fatsoen, dat een overheidsorgaan haar burgers gelijk zou moeten behandelen.

In principe hoort iedereen in gelijke mate te kunnen profiteren van gemeenschapsgeld en hoort ook iedereen evenveel bij te dragen.

Alleen wanneer er een gegronde reden is om uitzonderingen te maken, mag er van dat principe worden afgeweken.

De hoofdregel, het principe, is gelijkheid. Niet de uitzondering.

Waarom die uitzondering voor hondenbezitters?
Dat kan niemand me uitleggen. Zoals boven aangegeven, zegt zelfs het Ministerie dat de hondenbelasting vrij mag worden besteed. Dus vindt men het onmiskenbaar een algemene belasting. Je zou die belasting dus bij iedereen moeten heffen en niet uitsluitend bij hondenbezitters. Waarom hondenbezitters worden aangewezen om extra belasting te betalen, is mij een raadsel.

Wat doen diverse gemeenten, gesteund door BZK, dus eigenlijk?
Je wijst een willekeurige groep aan met een bepaald kenmerk, maakt een verordening waarin staat dat die groep belast wordt, klaar.

Als je kritiek hebt op de redenering van de gemeenten, wordt je bestookt met een hele riedel jurisprudentie. Maar die schoten met hagel leiden hooguit af van de kernvraag, namelijk of de gemeente haar burgers fatsoenlijk behoort te behandelen.

Het eerste artikel van onze Grondwet, waarin het gelijkheidsbeginsel is beschreven, zou eigenlijk overbodig moeten zijn. Want behoorlijk bestuur begint met eerlijkheid. Niet met interpretatie van de wetgeving.