Dure Champagne

Op het gevaar af inbreuk te maken op het gebruik van het recht op het woord Champagne, toch een berichtje over een opmerkelijke uitspraak. Een fabrikant wilde het 70-jarige bestaan van een merk “vieren” met Champagne. Het feestje werd echter verstoord…

De voorzieningenrechter in Den Haag heeft geoordeeld, dat het gebruik van het woord Champagne in strijd is met een beschermde “oorsprongbenaming”. Deze benaming is beschermd door een – aldus het vonnis – Europese verordening.

Merkrecht door landbouwregels?
De bescherming van de benaming is ontleend aan een verordening, die – als we het goed zien – primair is gemaakt om landbouw te reguleren. Ook is het zeker een situatie, waarop geen weldenkend mens beducht kan zijn. Het beginsel, dat eenieder de wet behoort te kennen, laat zich hier weer eens van zijn donkere kant zien.

Auteursrecht?
De voorzieningenrechter bouwt voort op het beginsel van inbreuk op een auteursrecht, op grond van het z.g. TRIPs verdrag. Kennelijk doelt de rechter op de artikelen 22 en 23 van dat verdrag. Kort gezegd moet dat verdrag bescherming bieden tegen namaakproducten, die ten onrechte worden aangeduid met een oorsprongbenaming. Mousserende wijn uit een andere streek mag niet als “Champagne” worden verkocht.

Misgeslagen plank?
Het kan zijn dat we het verkeerd zien, maar het is zeer de vraag of het betreffende verdrag in dit geval wel van toepassing is. Want Unilever wilde vooral het feestelijke karakter van de “verjaardag” van het merk onderstrepen, in de zin van “iets vieren met Champagne”. Echter is er geen sprake van dat Unilever “onechte” Champagne onder die naam wil verkopen. De rechter kon de plank wel eens hebben misgeslagen. Unilever zou in de (eventuele) bodemprocedure dat aspect zeker kunnen aanduiden.

Proceskosten goed voor een flinke wijnkelder
Unilever is veroordeeld tot € 25.000 proceskosten. Daarvoor kan een flinke voorraad wijn worden aangeschaft…
Die proceskostenveroordeling hangt samen met – weer – een Europees stukje proza, nu de Handhavingsrichtlijn. Bij gewone civiele procedures geldt een kostenstelsel op basis van vaste eenheden, die overigens veelal de werkelijke kosten niet dekken. De kostenveroordeling doet sterk denken aan de zaak FTD/Brein. Wij vinden het onderscheid met “gewone” procedures niet gerechtvaardigd en daarom strijdig met gelijkheidsbeginselen.

LJN: BN9779